Onderzoek

imageDe scheepvaartgeschiedenis wordt gemaakt door de schepen die varen maar ook door de schepen die zijn geweest. In verre en minder verre wateren zijn schatzoekers vaak aan het duiken naar wrakken uit de tweede wereldoorlog. Er wordt gezocht naar bijzondere en waardevolle lading. Ook de wrakken van Spakenburg spreken tot de verbeelding. Je vraagt je soms af waarom er zoveel mooie schepen zijn verdwenen.

Spakenburg heeft in den lande de grootste vloot botters in haar haven. Rond de 30 schepen hebben hun ligplaats gekozen in de Hongdehemel en Oude Haven van Spakenburg. Het zijn klassiekers op en top, met elk hun eigen verhaal en doel. Er is niets zo verdeelt als bottervolk en hun schepen, de één een kattenrug de ander een te rechte zeeg. De schippers, sommige liefst zo authentiek mogelijk en de ander bijna commercieel. Sommige willen wedstrijden varen, de ander wil vissen op de voormalige Zuiderzee of een combinatie van beiden.

De grootste vloot van Spakenburg ligt niet in de Oude Haven, maar ten oosten en westen van de pieren in het Eemmeer en Nijkerkernauw. Bij een telling in 2005 waren aan de oostkant nog 25 wrakken zichtbaar. Aannemelijk is dat een gedeelte van de 209 tellende vloot hier is terecht gekomen, andere zijn verkocht of gesloopt op de wal. De wrakken werden door de schippers op de ‘mullem*’ gevaren, dit is het gebied aan de oostzijde van de pier. Mullem is de oud Hollandse benaming van wat ze in het noorden Wad noemen. Dit veengebied stroomde in de tijd van de Zuiderzee vaak droog en er zaten soms diepe slijtgeulen in, tot 8 meter diep. In deze slijtgeulen kon een botter geheel onder de waterlijn verdwijnen, zo ontstond het botterkerkhof. In Spakenburg gaat het hardnekkige verhaal dat elk jaar met Koninginnedag een botter in brand werd gestoken op dit kerkhof. Maar hoogstwaarschijnlijk is dit maar 2 keer gebeurd, aannemelijk is dat de meeste schepen hier gewoon door de eigenaar zijn achter gelaten met alle armoe dit meebracht. Ook is het niet waarschijnlijk dat botters verkocht werden aan de Oranjeverenigingen voor een vuurfestijn want het meest brandbare onderdeel van de botter was het tuigage. Schippers die stopten met vissen konden over het algemeen het tuig nog goed doorverkopen. De eerste keer dat een botter werd afgebrand was in 1937, dit was de BU172 ter ere van het huwelijk van Prinses Juliana met Bernard van Lippe-Bisterfeld. Een tweede keer was in 1952 of 1953, dit was de BU183 die zeilend er heen werd gebracht. Aan boord waren Hillebrand van de Groep (Brangt Sjek) en Hendriekus de Graaf evenals de jonge jongens Steven Hopman en Hendrik Meester.
U, de lezer weet wat liefde voor een schip kan betekenen, de meeste vissers hadden dit niet meer. Met zuur verdiende centen hun botter kopen en onderhouden. Dag en nacht vissen op een zee met korte golven is geen pretje, je moet je schip kennen en er op kunnen vertrouwen, meer dan op je vrouw. Veel schippers zagen hun schip niet meer als iets moois. Nee, het werd een te zware last om alles in stand te houden. De schepen verdwenen.

Voor de oorlog werden al veel schepen gesloopt. De zee was dicht en de inpoldering lag in het verschiet. De botters die werden gesloopt gingen tot het berghout kaal. Dit hout werd in manden verkocht als brandhout voor de kachel, waar het water voor de was werd gestookt. Dus van botter tot schone was.

Op 10 juni 1947 geeft de Burgemeester van Bunschoten de volgende opdracht aan havenmeester de Graaf.

812- P. de Graaf (Peet Makkie)*
Havenmeester,

Bij deze delen wij U mede, dat in de havens geen botters gesloopt mogen worden. Sloping van botters mag alleen plaats vinden nabij de havenmond – ten Oosten -. Indien botters niet meer in de vaart zijn, dan dienen deze een ligplaats te worden gegeven nabij de scheepswerf van Gebroeders Zijl.

Getekend Burgemeester en Wethouders van Bunschoten.

De ‘aofdânkers’ kwamen terecht aan de oostzijde van de haven op een gebied waar hiervoor veel kinderen speelden. Volgens een getuige uit die tijd werden de botters vaak tot het vlak gesloopt. Het overige hout, wat relatief droog was, werd in de kachel opgestookt. Bij weer andere gevallen werd de botter er heen gevaren en de mast gekapt zodat deze door het achterhuis viel waardoor de botter zonk. Jaren lagen er in dit gebied de schepen nog boven water, soms met nummer er nog op.

Hier een paar beschrijvingen sommige “drievende dieken” zoals opgetekend door J. de Graaf uit Spakenburg.

BU39 Houten botter, gesloopt en afgezonken recht voor de dijkopgang van de Weikamp naar de Oostdijk, ongeveer 100 a 200 meter van de dijk. De schuit ligt evenwijdig met de dijk en verzonk niet meteen in de modder zodat de boorden lange tijd boven water bleven. Eigenaar was Abram van Diermen.
Abram had een groot gezin, en omdat hij een hoekwandvisser was en onvoldoende mannelijk personeel kon komen, voeren op zijn latere stalen botter twee dochters als vissers mee aan boord, Geertje en Willempje. Een hoekwandvisser had minimaal vier man personeel aan boord, vrouwen aan boord was een zeldzaamheid.

BU183 Eigenaar W. Koelewijn. Deze botter is destijds en dat was in 1952 of 1953, overgedaan aan de plaatselijke Oranjeverenigingen, om op de afzinkplaats in brand te worden gestoken als historisch vuurwerk, dit was al eens gebeurd met de BU172. De botter zou eventueel ten Oosten van de BU39 kunnen liggen op dezelfde afstand iets verder uit de kust.
(De botter voer waarschijnlijk met overgekocht tuig van de BU52, de mast kwam van de BU4; aanvulling van S. Hopman)

BU110 Houten botter, Waarschijnlijk is dit dezelfde schuit die in de oorlog de naam “Geertje”droeg. Maar het is niet zeker of deze botter eerst BU110 voerde. Toen de Duitsers in 1944 de haven ten noorden van de afslag afsloten was deze botter toevallig buiten de haven en kon dus door blijven vissen. Er gaan geruchten dat de schuit tot zinken is gebracht door de plaatselijke ondergrondse, als een toenmalige afrekening. Het schip ligt ten westen van de haven. Toen ik vroeg aan de eigenaar of de botter BU110 eerder voerde, “wist hij dat niet zeker meer”
(Ten noorden 200 meter van de Oude Pol; aanvulling van S. Hopman)

Deze mooie verhalen zijn vastgelegd door de heer de Graaf. Hij heeft van bijna alle schepen van de vloot op papier gezet hoe en waar ze zijn gebleven.

Zo is dus “Sjutenkârkhof” ontstaan in Spakenburg. Het is een oude begraafplaats die zijn geheimen onder water houdt. Spakenburg is in de tijd na de visserij erg veranderd. De botters werden in de jaren 60 gered door een enkele freak en studenten. De plezierbotter was een feit, over één van die plezierbotters gaat het volgende verhaal:

BU72 Deze botter is in de tweede wereldoorlog verkocht aan Louw Voorthuizen uit Muiden. Deze Voorthuizen heeft in de jaren 50 en 60, door zijn sektegenoten zich tot ‘god’ laten verklaren, Lou de Palingboer. Als schipper voer in de oorlogsjaren Hillebrand de Graaf op deze botter.

Niet alle botters verdwenen naar onder de golven. Velen werden gewoon gesloopt op de krip voor de haven, anderen werden met hoog water op de pier gevaren en rustig gesloopt. Botters verdwenen dus in de kachel. Een enkeling is later gelicht zoals de bons BU68 in 1945. Dit werd gedaan omdat op de Mullem een veld voor IJsselmeervogels (nâssevêld*) werd opgespoten. Het veld bleek later van te lage kwaliteit als voetbalveld. De BU42 was geen Bunschoter botter maar een botter met bijna het formaat van een kwak. De BU42 is gebouwd in Huizen bij de werf van Kok. De botter was volgens de verhalen wat langer dan andere, een typische koopschuit, en er waren door de bouwer maar twee van deze eigen ontwerpen gebouwd. Beide botters zijn in de oorlog gezonken. Willem Koelewijn, de eigenaar van de BU42, woonde als vrijgezel samen met zijn zus. Toen Willem kwam te overlijden kwam de botter in verval. Vervolgens werd door menigeen een hoog bedrag geboden voor de botter, maar zus Willempje wilde niet weten dat haar broer dood was. Het schip is tot wel drie keer toe gezonken. De eerste twee keren in de Oude Haven, de laatste keer in de Nieuwe Haven, de haven waar de slechte botters terecht kwamen. In september 1966 werd de botter gelicht. Het schip werd op een dieplader gehesen waarna de tocht naar de plaatselijke belt ging. Dit wilde helaas niet lukken want de dieplader met botter kwam niet door de smalle Hoekstraat heen, de botter werd toen ter plekke in tweeën gezaagd. Dat het ooit een mooie en goed zeilende botter was, getuigde een collega schipper: “Dee sjuut stuur je met je pink”.
Ook verdwenen er botters op andere plekken in de zee, of zoals in Spakenburg genoemd wordt: ‘de kleine zee’. Ten westen van de havenpieren lagen lange tijd twee wrakken in het water. Verder kwam de BU177 kwam voor de Laak terecht, de eigenaar had de botter erheen gevaren om uit het vuur van de oorlog te blijven. Hij verbleef waarschijnlijk de laatste weken van de oorlog op zijn schip met zijn gezin. De botter was te slecht en zonk. De BU47 werd naar Gouda verkocht en in tweeën gezaagd en tot verblijf van apen in een dierentuin gemaakt. Verder is op één van de foto’s de Volendammer kwak VD46 te zien. Met wind tegen kwam dit schip regelmatig de haven niet uit, dat kwam ten eerste door de diepgang en ten tweede door de 10 PK Bernard motor die het schip had. De kwak was van studente. Na ongeveer twee jaar plezier ervan te hebben gehad, kwam ook dit schop terecht op het wrakkenkerkhof omdat het tuigage af was en de eigenaren te weinig geld hadden voor het onderhoud. Bij de VD46 ligt ook de BU20.

“De mullem is blâk evùllen”
De meeste botters kwamen dus aan hun eind op het kerkhof. Deze wrakken liggen daar tot op de dag van vandaag. Ikzelf mocht het schouwspel van oude schepen voor het eerst zien in 2000 toen met een zuidwester storm het Eemmeer bij Spakenburg tot aan de geul kwam droog te staan. In de tijd van de Zuiderzee gebeurde dit regelmatig met een Zuiderwind. Net op de fotografieopleiding (2000) ging ik gewapend met een camera op de wrakken af om er foto’s van te maken. Veel van deze wrakken zijn in slechte staat, andere zien er uit alsof je ze op kunt graven en de helling moet optrekken voor restauratie. Over de BU15 is zelfs te melden dat het gehele schip in een zuiggat naast de haven is gevaren en daar is afgezonken. Binnen een jaar was dit zuiggat bijna geheel dicht, hier ligt dus een complete botter onder het zand. De botter was geborgen bij het eiland de Dode Hond. Dit nadat het schip niet meer boven water was te houden na een brand in de haven. De eigenaar, een student, wist meer niet wat hij met het schip aanmoest en bracht het schip naar het eiland. Later is het schip, met verschillende pompen erin, getracht naar het kerkhof te varen. Dit lukte niet geheel en de botter zonk vroegtijdig in het Randmeer op de rand van de geul ter hoogte van de boei NKN38. De BU15 is de laatste botter die in het gebied terecht kwam in 1973.

Ten Oosten hebben de VD46, BU3, BU15, BU20, BU39, BU49, BU54, BU55, BU56, BU63, BU104, BU132, BU145, BU172, BU 177, BU183 en de BU193, en ten Westen de BU10, BU12, BU22, BU78(schouw), BU110 en de BU112 hier hun laatste rustplaats. En waarschijnlijk nog veel meer. Veel schepen kregen na de visserij een pleziernaam, deze schepen verdwenen dus nummerloos op het kerkhof. Op de bodem ligt de historie van Spakenburg uitgezaaid wachtend om geoogst te worden door toekomstige archeologen en andere onderzoekers.

Na 125 jaar krijgt Spakenburg een nieuwe haven. Deze haven wordt op dit moment aangelegd midden in het wrakkenkerkhof. Afgelopen zomer (2011) heeft het Centrum voor Archeologie Amersfoort in opdracht van de gemeente Bunschoten een inventarisatie gemaakt van de wrakken die binnen het nieuw te ontwikkelen gebied liggen (haven en nieuwe rietkragen). In totaal bleken 8 wrakken of resten van wrakken binnen dit gebied te liggen en enkele wrakken er vlak buiten. Op dit moment liggen de wrak(rest)en onder water. Dat is de beste plek voor ze, want daar blijven ze het best bewaard. De verplaatsing van de rietvelden kan er voor zorgen dat de wrakken aangetast worden door de opgespoten grond en de rietstengels. In overleg met de uitvoerder van het project (Van Gelder BV.) is besloten om de grenzen van het plangebied daarop iets aan te passen. Hierdoor konden drie van deze wrakken (waaronder twee van de meest complete wrakken!) onder water blijven liggen. De overige wrakken worden zo voorzichtig mogelijk bedekt met grond, in de hoop dat de resten er over honderd jaar nog liggen. Wrakresten die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen worden goed gedocumenteerd en overgedragen aan de gemeente. Spakenburg houdt zo haar vloot in ere en kan na de aanleg, net als na de aanleg van de vorige haven in 1886, weer een nieuwe toekomst tegemoet met haar eigen Zuiderzee geschiedenis.

Zo blijven de wrakken van botterbehoud behouden.
Tekst op het verongerdeurtsie* van een Bunschoter botter.

Laat vrij dan ’t onweer woeden
Laat donker zijn de nacht
Wij kennen vrees nog zorgen
Wij steunen op Gods macht
Al grijnst ons d’ afgrond aan
Die op de Heer vertrouwen
Die zullen nooit vergaan

imagePieter de Vos

 

 

Reactie op bovenstaande tekst door Vincent de Kievit, Beleid Cultuur en Erfgoed Gemeente Bunschoten.
De botterwrakken vormen een belangrijk onderdeel van de lokale vormingsgeschiedenis van Spakenburg. Het verval van de visserij door de komst van de afsluitdijk en de uiteindelijke genadeklap door de aanleg van Flevoland heeft geresulteerd in de flexibele en bedrijvige gemeenschap die Spakenbrug vandaag de dag rijk is. Het kerkhof met botterwrakken vormt een tastbaar overblijfsel van deze ingrijpende verandering. De gemeente Bunschoten hecht er grote waarde aan dat zo’n belangrijk stuk cultuurhistorie blijft bestaan, zodat ook latere generaties het verhaal van hun herkomst kunnen blijven horen en ook kunnen zien. De gemeente heeft met de komst van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in 2007 en de vaststelling van haar erfgoednota in 2008 een belangrijk stap gezet in de richting van een duurzaam en goed beheer van haar erfgoed. Daar waar in het verleden nog gesproken werd van het ‘netjes opruimen’ van het wrakkenkerkhof is inmiddels de consensus ontstaan dat het behouden van dit tastbare stukje erfgoed en het onder de aandacht brengen hiervan heel belangrijk is. Op landelijke archeologische schaal spreekt het nog niet zo oude botterkerkhof misschien minder tot de verbeelding, maar op lokaal niveau vertegenwoordigd het een grote cultuurhistorische waarde. Het botterkerkhof heeft de juiste leeftijd bereikt om onder de aandacht gebracht te worden. Nieuwe generaties hebben weinig weet meer van de visserij en de botters, de oudere generaties die het nog hebben meegemaakt zijn er nog. Deze ouderen hebben nu nog de mogelijkheid om aan hun kleinkinderen te vertellen over waar hun wortels liggen…. over een decennia of misschien twee, zullen zij zelf ook onderdeel zijn van ons erfgoed en onze herinneringen.

imageMotor in het wrak
In één van de wrakken in het gebied ligt een wrak met een motor. Het is niet het enige wrak met een motor nog in het bun. Maar het kleine motortje met de aandrijfriem er nog aan is een A-Ford motor. Dit type motoren werd door de firma Bos in Spakenburg, regelmatig ingebouwd in verscheidene botters, later ook door garage Blokhuis. Deze A-Ford model A motor is gemaakt van 1927 – 1931. A-Ford motoren zijn tot eind jaren 50 gemaakt. Het was een benzine motor van ongeveer 40 paardenkrachten. De A-Ford motor was één van de eerste motors die werden ingebouwd in de botters, waardoor het varen voor de vissers een stuk aangenamer werd. Frappant is dat dit motortje nog stoer overeind staat en dat het schip al ver weg is. Nog mooier is dat op nog geen 100 meter afstand aan de Nieuwe Haven een originele A-Ford nog steeds haar rondjes rijd, oud en oud bij elkaar, botters in de haven en voor de haven, net als de motoren. A-Ford motoren waren trouwens niet de eerste motoren in botters, nog eerder werden de T-Ford motoren gebruikt als aandrijving. Verder bleek bij de A-Ford motoren niet veel van de PK’s over te blijven als ze in een botter stonden, er bleef rond de 20PK aan kracht over in het blok.



Dialect/verduidelijking
:
*Sjutenkârkhof: botterkerkhof
*Mullem (of mullum): Slik/Veengrond dat droogvalt onder getij of storm, word genoemd vanaf 17e eeuw als kop van de rivier de Eem.
* P. de Graaf (Peet Makkie): Makkie werd tot familienaam aangenomen, het was geen scheldnaam.
* Nâssevêld: Het veld van ‘Na Arbeid Sport’, tegenwoordig VV IJsselmeervogels
* Verongerdeurtsie: Vooronder deurtje


Persoonlijke noot: Een fictie verhaal over dit onderwerp verscheen tevens in een boekwerkje van de gemeente Bunschoten over hetzelfde onderwerp “En de zee was niet meer.” ISBN978-90-70708-21-4. Alle genoemde zaken zijn zo ver mogelijk uitgezocht en geverifieerd. Indien er aanvullingen zijn dan kunt u contact opnemen via de redactie van dit blad. Het was niet mogelijk om alle verhalen van de bronnen op te nemen in dit stuk, alles is wel opgeslagen op geluid en schrift.


 

Met dank aan:

  • J. de Graaf Ezn, opsteller van diverse verhandelingen over het botterkerkhof, meelezer.
  • Steven Hopman, meelezer, interview.
  • V. de Kievit, ambtenaar cultuur Gemeente Bunschoten, bijdrage.
  • Drs. M. Verhamme, Regio-archeoloog, Centrum voor Archeologie in Amersfoort, meelezer/bijdrage.

 

December 2012